Verandermanagement

Bericht op aug 24, 2014

changeWat verandermanagers moeten weten: Het perspectief van George Herbert Mead op verandermanagement 

Rob Blomme en Bertine van Hoof 

Inleiding

In onze praktijk als leidinggevende en professional staan wij vaak verbaasd over de consistentie waarmee mensen in organisaties hun gedragsgewoontes proberen vol te houden.  Een belangrijke taak als veranderingsmanager is het doorbreken van deze gedragsgewoontes. Echter als we zelf een tijdje rondlopen in een organisatie merken wij dat met het verstrijken van de weken onze verbazing afneemt, en we zelf iets van de routines overnemen van de directe collega’s in de organisatie. Het is niet dat wij hiertoe gedwongen worden, maar sluipenderwijs worden wij gesocialiseerd in de dagelijkse routines en problemen van alle dag. Het aannemen van deze dagelijkse routines maakt de sociale omgang met de collega’s ook vaak makkelijker.  Mensen spreken je wat makkelijker aan en wat nog belangrijker is: er groeit vertrouwen tussen jou en de collega’s. Vertrouwen geeft een gevoel van veiligheid.

In dat stadium blijkt het vaak dat leidinggevenden, collega’s en medewerkers zich bezighouden met alledaagse dingen zoals het oplossen van problemen, het benoemen van niet benoembare zaken en onbegrepen gedrag van anderen. Mensen proberen vooral het gedrag te duiden van hogere leidinggeven, maar ook van directe collega’s. De duiding van de sociale omgeving leidt dan tot aangepast gedrag waarbij nieuwe routines kunnen ontstaan. Gedragsverandering komt in die zin voort uit de ontwikkelingen van nieuwe betekenissen van een veranderde omgeving. Mensen passen aldus hun gedrag makkelijk aan omgevingsveranderingen. Echter, waarom gaan veranderingen vaak zo moeizaam binnen organisaties?

Om te komen tot nieuwe betekenissen wordt er veel gesproken: aan de koffietafel, door middel van bilateralen, telefonisch op weg naar huis. Opmerkelijk worden vaak deze thema’s niet besproken in formele gremia zoals afdelingsoverleggen en vergaderingen. Blijkbaar durven mensen alleen betekenis te maken van de alledaagse context en een sociale omgeving waar zij veiligheid ervaren. In vergaderingen geven mensen zich niet bloot en is een constructieve dialoog meer uitzondering dan regel. Nieuwe betekenissen worden niet ontwikkeld in een formele vergadering, terwijl in het vrije gesprek problemen wel geadresseerd en opgelost kunnen worden. De vraag is dan hoe we dit vrije gesprek wat leidt tot nieuwe betekenissen en daarmee gedragsverandering wel kunnen entameren, zowel in een formele als informele setting.

George Herbert Mead

Een man die veel over veranderingen in sociale systemen nagedacht heeft is George Herbert Mead. George Herbert Mead (1863-1931) doceerde lange tijd op de universiteit van Chicago en is als een belangrijke voorvechter van het pragmatisme, een stroming in de filosofie die als uitgangspunt heeft dat een waarheid bestaat als ze bevestigd wordt in de praktijk. Mead schreef over hoe mensen met elkaar omgaan en hoe dat kan leiden tot gedrag en onderlinge interacties. Zijn benadering omschreef mensen zich ontwikkelen en veranderen in het proces van sociale interactie met daarbij het linguïstisch domein als aangrijpingspunt. Hij schreef in die zin over hoe mensen veranderen en welke condities voor verandering aanwezig moeten zijn. Een belangrijk werk wat ons inziens elke verandermanager zou moeten lezen is het boek van Mind, Self and Society. Dit boek is door zijn student Charles Morris in 1934 samengesteld op basis van Mead’s korte artikelen en colleges. George Herbert Mead was toen al drie jaar overleden.

Gedragsverandering

De twee belangrijkste begrippen wat Mead gebruikt in Mind, Self and Society is het Zelf (Self) en het Verstand (Mind). Volgens Mead is het Zelf dat deel van onze persoonlijkheid dat ons zelfbewustzijn en zelfbeeld omvat en refereert het Verstand aan de kennis en cognitieve vermogens van het individu.  De stelling die hij poneert in zijn werk is dat het Zelf zich alleen kan ontwikkelen op basis van sociale interactie en ervaringen. Mead beargumenteert dat mensen zich alleen kunnen ontwikkelen als zij interactie hebben met andere mensen.

De ontwikkeling van betekenissen over het zelfbeeld en de buitenwereld (Arise of the Self and Mind) vindt plaats binnen het proces van communicatie.  Volgens Mead vindt het proces van communicatie plaats in twee fases: 1) de uitwisseling van uitingen (Gestures), en 2) de ontwikkeling van een gemeenschappelijk taal ofwel in Meads woorden het gesprek van relevante uitingen (significant gestures).  Communicatie is een onbewust proces; betekenissen ontstaan pas na de uitwisseling van uitingen en gebaren. Een gemeenschappelijk taal waarin elkaars uitingen geïnterpreteerd kunnen worden en nieuwe betekenissen ontwikkeld vinden komt voort uit de eerste stap van uitwisseling van uitingen en gebaren. Uitingen en gebaren kunnen zowel verbaal als non-verbaal zijn.  Begrijpelijke communicatie is het begrijpen van de betekenis van de uitingen door individuen. Omdat er minstens twee mensen aanwezig moeten zijn voor deze communicatie, noemt Mead dit een sociale handeling (Social Act). De sociale handeling of interactie is het proces waarin betekenissen ontstaan. Betekenisgeving vindt plaats in drie stappen: 1) een uiting wordt door een individu in het proces ingebracht, 2) een antwoord in de vorm van een respons vindt plaats door de ander, en 3) de eerste uiting krijgt betekenis. Betekenissen zijn dus een uitkomst van dit interactieproces.  Sociale systemen kunnen opgevat worden als een dynamisch en uitgebreid netwerk van sociale interacties waarbinnen de situatie waarin de actoren handelen telkens opnieuw gedefinieerd moeten worden.

De sociale werkelijkheid is niet een vaststaand gegeven, maar is een product van de deelnemers in het interactieproces. De betekenis van de sociale werkelijkheid en van het handelen is gebaseerd op mogelijkheid voor mensen om te anticiperen op het handelen van anderen. De mogelijkheden waarbinnen deze anticipatie kan worden uitgevoerd veronderstelt bepaalde regels of een bepaalde orde. Volgens Mead zijn deze sociale regels van invloed op hoe uitingen betekenisvol kunnen worden en zijn deze gebaseerd op betekenissen die in eerdere ervaringen gecreëerd zijn. De hardheid van sociale regels en rollen zijn gebaseerd op het gegeven dat mensen in zekere zin in hun handelen deze regels moeten volgen om begrepen en geaccepteerd te worden. Maar deze hardheid heeft niet tot gevolg dat een individu de gevangene is van deze regels. Regels worden in interactieprocessen door individuen bevestigd, waardoor deze ook weer veranderd kunnen worden. Mead zag het potentieel voor verandering als creativiteit als onderdeel van het zelfbewustzijn. Hij noemde dit onderdeel van het zelfbewustzijn als het “I” dat hij onderscheidde van het “Me”, waarin mensen zich verplaatsen in de rollen van anderen ten opzichte van zichzelf. Hierin speelt het “Me de gedetermineerde component van het zelfbewustzijn. Het “I” geeft aan individuen de mogelijkheid om deze determinering en daarmee de rolverwachtingen te doorbreken. Echter wil een nieuwe handeling of interpretatie begrepen worden dan dient deze nieuwe handelingen en betekenissen aan te sluiten bij de gangbare handelingen en interpretaties. Mead geeft hiermee aan dat het doorbreken van patronen van handelen rust en tijd vraagt.

Het vermogen om aan interacties deel te nemen noemt Mead “role-taking” en vergt van de individu om zich te verplaatsen in de belevingswereld van de ander of anderen. Door zichzelf vanuit de positie van anderen te begrijpen kan een individu de verwachtingen inschatten die aan hem gesteld worden en daarmee het eigen gedrag afstemmen op die van de ander. Is de individu niet in staat om zich in te leven in de belevingswereld van de ander dan vindt in de ogen van Mead de act-as-such plaats. De  Act-as-Such is die handeling die een individu uitvoert op basis van zijn pre-conceptie van de buitenwereld. Deze buitenwereld wordt realiteit op basis van de selectieve perceptie die de relatie kenschetst tussen de individu en de buitenwereld. De Acts-as–Such zijn aldus geen sociale handelingen waarin nieuwe betekenissen geconstrueerd worden maar reacties op gebeurtenissen in de buitenwereld.

Als uitingen intentioneel worden uitgevoerd dan is een uiting een actie die bedoeld is om een reactie uit te lokken. In Mead’s benadering ligt aldus de nadruk op het interactionele proces als communicatief medium voor betekenisgeving. Daarbij verschuiven problemen in de communicatie van de zender en het transmissiekanaal naar de wijze waarop de ontvanger betekenissen creëert. De aandacht spitst zich dus toe op de interpretatie van informatie door de ontvanger. Deze ver­schuiving geeft ook een ander aspect van communicatie weer. Communiceren is het geoor­loofd worden door anderen om de betekenis of zin met die anderen te delen. Gebeurt dit laat­ste niet, dan blijven de individuele uitingen in het luchtledige en zijn ze zonder zin en beteke­nis. Beteke­nissen zijn altijd tijdelijk en voorlopig, staan open voor voortdurende toevoegingen en wijzi­gingen. Alles wat op het ene moment vaststaat, kan het vol­gende moment weer dubbelzinnig zijn of zelfs ongedaan gemaakt worden. Betekenissen staan dus bloot aan het voortdurende proces van constructie en deconstructie.

Mensen zijn denkers en plannenmakers, en relateren hun gedachten naar activiteiten in de toekomst. Onbewust passen deze activiteiten in de cultuur en routines van de sociale context waarin deze plannen uitgevoerd gaan worden. Het tweede uitgangspunt is dat deze plannen pas betekenis krijgen op basis van de reactie die de omgeving geeft aan de uitvoering van deze plannen. Dit hoeft niet perse de reële uitvoering te zijn van een plan, maar het praten over wat je denkt met anderen zorgt al voor betekenisgeving van hetgeen wat je van plan bent om te doen. Ons denken en handelen wordt hiermee continu beïnvloed door onze sociale omgeving. Betekenisgeving en gedragsverandering is in het perspectief van Mead een sociale gebeurtenis; we kunnen dan wel gedachten ontwikkelen over hoe we dingen willen gaan doen, maar echt veranderen vindt pas plaats in sociale interactie. Daarnaast is een belangrijke premisse dat wanneer mensen samen handelen ze een set van gemeenschappelijke betekenissen ontwikkelen over hoe samen plannen te ontwikkelen en te handelen. Samenwerken leidt daardoor tot routines van denken en handelen.

Als laatste punt concludeert Mead dat mensen in sociale systemen de neiging hebben om routines te ontwikkelen van gemeenschappelijk handelen. In de voorgaande paragraaf hebben we Mead’s onderscheid in de act-as-such en de social act besproken. Dit routinematig handelen kunnen we omschrijven als de act-as-such. In de routines van handelen wordt getracht de bestaande betekenissen te bevestigen. Nieuwe betekenissen worden niet alleen geconstrueerd wanneer er voldoende tijd en ruimte is voor reflectie, maar worden pas geconstrueerd als nieuwe responses gegeven worden op handelingen. Wij willen hiermee betogen dat de social act in een sociaal systeem pas kan plaatsvinden als er nieuwe mensen met een ander betekeniskader hierin worden ingebracht of dat de bestaande mensen nieuwe impulsen kunnen geven aan de ontwikkeling van hun betekeniskader in andere sociale systemen.

Conclusie en inzichten

Mead heeft hierbij kaders heeft aangegeven voor een handelingstheorie, waarbij het ontwikkelen van betekenissen en daarmee veranderen een uitkomst is van sociale interactie.  Naast deze handelingstheorie geeft hij de onvoorspelbaarheid van betekenisgeving aan als uitkomst van het interactieproces. Daarbij geeft hij een belangrijke conditie aan voor dit betekenisgevend proces. De bereidwilligheid van individuen om sociaal te handelen en zich te verplaatsen in de belevingswereld van anderen is bepalend of er nieuwe betekenissen ontstaan en of er wel geleerd wordt. De patronen van gedrag kunnen alleen doorbroken worden als individuen de bereidheid hebben om zich in elkaars belevingswereld in te leven. Nieuwe betekenissen en nieuwe routines vinden ontstaan door middel van het inbrengen van nieuwe uitingen of nieuw handelen. Anderen zullen deze weer opnieuw interpreteren en deze met uitingen beantwoorden. Dit interactieproces kan weer leiden tot een nieuw handelingsrepertoire en nieuwe interpretaties. Dit leidt tot het eerste inzicht:

Inzicht 1: Veranderen binnen organisaties is alleen mogelijk wanneer organisatieleden de bereidheid hebben om zich in elkaars belevingswereld in te leven.

Verbale uitwisseling een belangrijke component is in dit interactieproces maar dat de non-verbale handelingen verbale communicatie ondersteunen of afbreken, of beter gezegd van grote invloed zijn hoe de ander deze interpreteert en welke betekenis hieraan verleend wordt. Echter in de verbale uitwisseling vindt de herdefinitie plaats van de sociale werkelijkheid, regels en hiermee de verwachtingen aan elkaars handelen. Voor verandermanagers heeft deze visie op verandering grote implicaties: kort ge­zegd betekent het dat organisaties kunnen veranderen enkel en alleen als de mensen in die organisatie anders met elkaar gaan praten en daarnaar gaan handelen. Veranderen is het mogelijk maken van verschil­lende conversatie- en interactievormen. Hiermee komen we tot het tweede inzicht.

Inzicht 2: De effectiviteit van verandermanagers is afhankelijk in welke mate ze in staat zijn om gesprekken te beïnvloeden en te vertalen naar concreet anders handelen.

Tevens is de intentie en houding waarmee de deelnemers deelnemen aan de interactie bepalend voor het leren en afleren van gedrag. Mead’s postulaat van de Social-Act impliceert dat als je wilt veranderen je moet willen verplaatsen in de gedachtewereld van de ander om diens motieven, emoties en belangen te leren kennen. Echter dit suggereert dat deze Social-Act alleen kan plaatsvinden in een context waarin vertrouwen heerst en met name vertrouwen dat het uitwisselen van elkaars motieven, emoties en belangen geen negatieve repercussies oplevert. Aldus vertrouwen een belangrijke conditie is voor veranderen. Hierbij komen we tot ons laatste inzicht.

Inzicht 3: De mate waarin verandermanagers vertrouwen kunnen kweken onder organisatieleden bepaalt de kwaliteit van de Social-Act en daarmee anders handelen.

Referenties

Blomme, R.J. (2012). George Herbert Mead: Zelfbeeld. In P.R.J. Simons & M. Ruijters (Eds.), Canon van het leren (pp. 603-613). Deventer: Kluwer.
Mead, G. H.  –Mind, Self, and Society-. (Ed. C.W. Morris). University of Chicago Press. 1934.

 

  1. Deze column is gebaseerd op Blomme, R.J. (2012). George Herbert Mead: Zelfbeeld. In P.R.J. Simons & M. Ruijters (Eds.), Canon van het leren (pp. 603-613). Deventer: Kluwer.